|
||||||||
• functiewaardering
|
Baggeraars in het Midden-Oosten Reisverslag van Femke van Zeijl in het Midden-Oosten (2006) Verschenen in NRC Hansdelsblad, Zaterdags Bijvoegsel, 8-9 juli 2006 'Dikkemik!' reageert eerste stuurman Rob van Dijk als het langsvarende baggerschip Lange Wapper met Vlaamse intonatie de waarschuwing doorgeeft 'Oelewapper komt langszij'. Zo'n vijfduizend kilometer van Nederland, op de Perzische Golf voor de kust van Qatar, klinkt geregeld Nederlands over de marifoons. Het opspuiten van een nieuw vliegveld in zee bij Doha met zestig miljoen kubieke meter grond is een baggerklus van wereldformaat. Het is welhaast vanzelfsprekend dat daar Nederlanders mee bezig zijn. Baggeren is een Hollandse aangelegenheid: de twee grootste baggerbedrijven ter wereld zijn van Nederlandse bodem, de twee volgende van Belgische en menig baggeraar zal je vertellen dat dat in feite reserve-Nederlanders zijn. De schepen van de vaderlandse baggervloot dragen namen als Queen of the Netherlands, Amsterdam, Waddenzee en Prins der Nederlanden. Tot op de scheepswerven van Singapore heet de driehoekige ruimte onderin een baggerschip de 'kippenkooi'. De typering 'Hollands glorie' duikt steevast op in zo'n beetje alle verhalen over de bagger. Maar die nationale trots is niet meer zo puur Hollands als hij ooit was. Als eerste stuurman Rob Van Dijk (39) zich tot zijn Litouwse rechterhand richt, moet hij overschakelen in het Engels. Ook met de Filippijnse pijpenman die de zuigers aan bakboord en stuurboord bedient, kan hij alleen in het Engels communiceren. Op de Queen of the Netherlands, het vlaggenschip van 's werelds grootste baggeraar Boskalis, wordt al lang niet meer enkel Nederlands gesproken. De internationalisering heeft zijn intrede gedaan aan boord van de Hollandse baggerschepen. Financiële overwegingen speelden daarbij een rol, maar ook de vergrijzing op de vloot. Nederlandse jongeren tonen te weinig belangstelling voor exacte vakken in het algemeen en de zeevaart in het bijzonder, aldus branche-organisatie VBKO. Om verre buitenlanden te zien heeft de jeugd ook geen werkgever meer nodig: ze koopt gewoon zelf een vliegticket naar Thailand of Australië. Het beursgenoteerde Boskalis was het eerste bedrijf dat zijn personeel over de grenzen zocht. Buitenlanders, onder andere Filippino's en zeelieden uit de Baltische staten, vormen daar inmiddels zo'n 75 procent van de bemanning. Familiebedrijf Van Oord, die andere grote baggeraar, loopt met twintig procent niet-Nederlanders achter op deze ontwikkeling. De officiersfuncties bleven er lang voorbehouden aan landgenoten, maar inmiddels ging ook bij Van Oord het roer om. Nu de wereldeconomie aantrekt, staan gigantische projecten op stapel. Daarvoor komen niet genoeg afgestudeerden van de Nederlandse opleidingen. Dit jaar is dit bedrijf dan ook begonnen de eerste Indiërs intern op te leiden tot stuurman en machinist. Met de internationalisering verandert de cultuur aan boord. Met zijn allen 'een bakkie doen' of 'een pot bier' in de bar terwijl André Hazes uit de geluidsboxen klinkt, is niet meer vanzelfsprekend. Nu zijn er ook Filippijnse karaoke-avondjes en Russische discussies. Sommige oudgedienden vrezen dat het typisch Hollandse baggercultuurgoed verdwijnt, maar anderen maken zich niet zo'n zorgen. De baggermentaliteit is typisch Nederlands, menen zij. Als puntje bij paaltje komt is een Hollander een betere baggeraar, want het zit ze in de genen. Er was een tijd dat je aan boord van een baggerschuit al buitenlander was als je niet uit Sliedrecht en omgeving kwam, herinnert de 71-jarige Piet Vlod zich: 'Sommige mannen spraken alleen plat Sliedrechts, die kon geen mens van buiten verstaan.' Zijn familie van moederskant woont sinds de dertiende eeuw in Sliedrecht. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog kwamen de leidinggevenden op het schip uit zijn geboortedorp, weet hij te vertellen. De oud-machinist kan ook na zijn pensioen de bagger geen vaarwel zeggen en werkt als suppoost in het Nationaal Baggermuseum in Sliedrecht. Het woonhuis van 'de oude Volker' op de Molendijk biedt sinds midden jaren zeventig onderdak aan dit museum. Adriaan Volker, de laatste telg uit de Volker-familie die zelf nog met de baggerbeugel op de schuit had gestaan, dwong respect af, zegt Vlod: 'Als je hier langsrende als kleine jongen, hield je even de pas in. Dit was een bastion.' De bagger is een prachtig vak, maar het was wel afzien, aldus de oud-machinist die van de motorendreun honderd procent machinedoof werd. Maandenlang was je vroeger weg, ook al baggerde je in Nederland. Echtgenote en kinderen lieten de mannen achter. 'Ze vroegen wel eens, waarom zijn die wijven aan de dijk zo pinnig? Onze vrouwen moesten alles alleen doen.' De romantiek van de vaart en de kameraadschap op het schip maakten veel goed, zegt de oude baggeraar, op wiens rechter onderarm - 'een onbezonnen daad in Kopenhagen' - een scheepje getatoeëerd staat. 'Je had een baan voor het leven en dat schip was van jou. Een baggeraar gaat nergens voor opzij. Gehard door eeuwen dijkdoorbraken pakken we altijd door.' Hij maakt zich zorgen over de tanende belangstelling voor het vak: 'Zat jongens doen de zeevaartschool. Dan krijgen ze een meissie dat geen zin heeft in een vent die zo veel van huis is en blijft 'ie aan wal. De Nederlandse jongeman is de Tiroler aan zee geworden.' Gerrit Lennips (23) trekt aan de knuppels van de zuigpijpen terwijl zijn medestudent de virtuele sleephopperzuiger de Rotterdamse haven binnenloodst. Lennips zit op de brug van de hoppersimulator van de Hogere Zeevaartschool op Terschelling. Met een 360 graden projectie om een perfect nagebouwde scheepsbrug kunnen de leerlingen er oefenen op het droge. De school met uitzicht over de jachthaven van Terschelling West heeft een specialisatie baggeren op het curriculum. De simpele baggerboer van weleer is niet meer. Met de komst van hoogwaardige technologie aan boord doorlopen stuurmannen en machinisten in spe op zijn minst een vierjarige studie. Van mbo tot hbo en universitair niveau dat heet dan geen baggeraar meer maar waterbouwkundig ingenieur leiden Nederlandse onderwijsinstellingen op voor het baggervak. Lennips liep een klein half jaar stage op een hopperzuiger van Van Oord voor de kust van Noord Spanje en raakte verslingerd aan het vak: 'Als jongetje reed ik met de trekker op mijn opa's boerderij. Toen was het al: hoe groter, hoe beter.' Op school was hij een van de weinigen die koos voor techniek, omdat hij een kantoorbaan van negen tot vijf niet zag zitten. Het arbeidsethos in de bagger spreekt hem aan: 'Lekker doorwerken. Niemand aan boord loopt de kantjes er vanaf.' De leerling baggeraar is op zoek naar uitdaging en verantwoordelijkheid. 'Het moet wel een beetje een uitdagend putje wezen. Liever op een ouder bootje. Zo'n modern schip is allemaal high tech, ik vind dat oude spul juist mooi. Dan is er werk aan de winkel.' Al te verheven wil hij zijn vak ook niet doen klinken. Nuchter: 'Je haalt zand ergens weg en gooit het ergens anders weer neer. Het maakt weinig uit of het nou een eiland wordt in de vorm van een palm of wat dan ook.' De arbeidsvoorwaarden trekken hem net zo goed aan. De bagger betaalt goed, zeker in het buitenland. 'De verlofschema's zijn niet verkeerd', grijnst de aspirant machinist, 'zes weken hard werken en dan zes weken vakantie waarin je kunt doen wat je wil.' Visfilet met gedroogde tomaat van de grill, biefstuk, varkenshaasje met champignonsaus, witlof omwikkeld met kaas en vlees uit de oven: dagelijks zet de chef-kok van de sleephopper Queen of the Netherlands voor het middagmaal minstens vier verschillende hoofdgerechten op tafel. Bij het ontbijt kan de bemanning naast vruchtensalades en brood kiezen voor pannenkoeken of gebakken eieren. Voor de inwendige mens wordt in de bagger prima gezorgd, en ook het onderkomen van de werknemers mag er wezen. Met zijn allen pitten in een vochtig, naar olie stinkend vooronder is er niet meer bij. Menige modderschuit is tegenwoordig een drijvend hotel, ieder bemanningslid heeft een eigen kajuit met tv en als de herrie op het schip te veel is voor een fatsoenlijke nachtrust brengt het bedrijf zijn werknemers onder in een appartement aan wal. 'We maken het de mannen zo aangenaam mogelijk', zegt chef-kok Danilo Almiranez (39) in het Engels. De Filippino was in 1997 een van de eerste buitenlanders op dit schip van Boka, zoals Boskalis in de wandelgangen heet. Hij werd opgeleid door de Nederlandse chef die hij uiteindelijk zou vervangen. 'Van hem leerde ik typisch Nederlandse gerechten te maken zoals snert, hutspot en nasi goreng met saté', zegt hij, onderwijl de witlofrolletjes in warmhoudbakken scheppend. Vanuit zijn scheepskeuken kijkt hij uit op de mess-room, waar in rood-wit-blauw een glas-in-loodbeeltenis van koningin Beatrix prijkt. Almiranez: 'Toen ik hier kwam, waren er enkel Nederlanders aan boord. In het begin waren er mannen bij die ons vermeden, maar inmiddels is iedereen aan ons gewend.' De Filippijnse werknemers hebben inmiddels de plaats ingenomen van de Nederlanders in alle lagere rangen. De lassers die na iedere baggerronde de zuigmonden repareren, de 'able bodies' oftewel matrozen aan dek, al het keukenpersoneel en de huishoudelijke stewards van de waskamer, het zijn stuk voor stuk Filippino's. Van de 35 bemanningsleden zijn zij met negentien in de meerderheid. Wat betreft de Nederlanders negen in getal - zijn ze compleet ingeburgerd: geen kwaad woord over 'de jongens', of de 'Flippies'. Het sociale leven aan boord is gescheiden. De Filippino's hebben hun eigen mess, hun eigen gerechten ('rijst met vissenkoppen', aldus de beschrijving van een Hollander aan boord) en hun eigen vrijetijdsbesteding. Iedere zaterdag is het karaoke-avond en klinkt gezang uit de tv-kamer. Dan zitten ze met zijn twaalven voor de Panasonic breedbeeld-tv op het hoekbankstel waar eigenlijk maar acht mensen op kunnen. Vanaf acht uur 's avonds schallen ze nummers van Modern Talking, gospelrock en Filippijnse liefdesliedjes in de microfoon. De rest gunt ze dit verzetje. In tegenstelling tot de Hollandse bemanning zijn zij zes maanden achtereen van huis en hebben dan zes weken vrij. De Filippino's zijn anders dan de Nederlanders. 'Buigzamer', typeert de een, 'bescheidener' zegt de ander. De Hollandse directheid is ze vreemd, hoewel echtgenotes in Manila wel eens klagen dat hun man na een half jaar aan boord zo bot uit de hoek kan komen. Een Filippino zal een meerdere niet snel tegenspreken, terwijl dat soms nodig kan zijn. Het zijn de enige bemanningsleden op The Queen die kapitein Ton van Oosten consequent aanspreken met 'captain' en nooit met zijn voornaam. Hoewel het ze nimmer verboden is, zetten ze zonder uitdrukkelijke uitnodiging geen stap in de bar waar de Hollanders hun biertje doen. Dat is zo gegroeid. Anders ligt het met 'de Balten', zoals de Litouwers, Esten, Letten en Russen voor het gemak op een hoop worden gegooid. Die verschenen vanaf 2002 op de schepen van Boka. De jonge, zelfbewuste zeelieden hebben veel meer weg van Nederlanders en zijn minstens zo eigenwijs, als je de Hollanders geloven moet. Afkomstig uit naties met een rijke maritieme historie zijn ze na hun zeevaartstudie in eigen land bijgeschoold in de bagger door Boskalis. Het Scheepvaart- en Transportcollege in Rotterdam startte er samen met de baggeraar een speciale opleiding voor: The International Dredging Academy. Sinds 2001 kwamen er tweehonderd nieuwe baggeraars van deze opleiding, meest Balten, maar ook Russen en Oekraïners. Deze jongens worden opgeleid voor de officiersfuncties. Voor het eerst vrezen ook stuurman en machinist voor hun baantje. In de koopvaardij is het een bekend fenomeen: op de meeste schepen vaart op zijn hoogst een Nederlandse eerste stuur en kapitein. In de bagger hebben de mannen lang gedacht dat zij die ontwikkeling niet zouden meemaken. Hun werk is dusdanig specialistisch dat ze niet makkelijk te vervangen zouden zijn, redeneerden ze. De eer die een Nederlandse baggeraar in zijn werk legt, is met geen goud geld te betalen. Sinds de komst van de Baltische officieren vragen sommigen zich af of hun gedrevenheid 'het beste, het snelste en het meeste' te baggeren niet meer wordt gewaardeerd. Ze geloven maar half dat er te weinig studenten van de Nederlandse opleidingen komen. 'Als iemand mijn werk goedkoper doet, vlieg ik eruit', is een veelgehoord commentaar, hoezeer de werkgever ook uitlegt dat de mensen in Nederland simpelweg niet te krijgen zijn. 'Wacht maar tot de Chinezen komen', zegt Marek Kotsulim (26), 'Daar zijn er zo veel van, er zitten er vast tussen die kunnen baggeren.' De zwijgzame Est is tweede stuurman op de sleephopper voor de Qatarese kust en was een van de eersten die van de International Dredging Academy afkwamen. Dat was wennen: 'De oudere bemanningsleden waren teleurgesteld dat de Nederlandse cultuur verdween. Ik begreep hen heel goed. Ik heb het in Estland zien gebeuren. Daar is de scheepvaart onder nationale vlag ook verdwenen, onze nationale trots. Dat raakt je.' Inmiddels kunnen de verschillende nationaliteiten aan boord prima overweg. Kotsulim is de typische baggermentaliteit gaan waarderen: 'Ze gaan door water en vuur voor het schip. De teamspirit is geweldig. De eerste keer op een baggerschip dacht ik, wie is hier in godsnaam de kapitein? Die liep over het dek in afgeknipte spijkerbroek of een vuile overall, net als de rest van de crew. Heel anders dan in de koopvaardij waar iedereen op zijn strepen staat. Als het nodig is, is hij wel de baas, maar hij staat ook aan dek te repareren als dat moet. Dat maakt de bemanning een eenheid, een familie.' Op zondagmiddag half vijf zitten drie Nederlanders in de zon bij de bar op het achterdek. De bemanning van het volcontinu bedrijf werkt zeven dagen in de week, meestal volgens het schema: acht uur op, acht uur af. In een etmaal werken ze zo zestien uur. Op zondagmiddag doet iedereen het wat rustiger aan. Een zwarte emmer vol ijsklontjes en blikjes Heineken staat tussen het drietal in op de vloer. Het is 39 graden, de lucht ruikt naar zout en machineolie en het geronk van de scheepsmotoren klinkt constant op de achtergrond. Onderwerp van gesprek: baggeren. De Hollanders hebben het zelfs in hun vrije tijd over het schip, het zand en de productie. Wouter Witteveen (41) pakt een koud pilsje uit de emmer. De zuigbaas heeft de leiding over alles wat er aan dek gebeurt. De gezelligheid is minder sinds zo veel landgenoten verdwenen, zegt hij. Met negen Hollanders aan boord zijn er altijd een paar op wacht en zit je op zijn hoogst met de vieren in de bar. Hij knijpt zijn ogen tegen de zon en kijkt naar de skyline van Doha in de verte: 'Met zijn allen maken we er het beste van. Het blijft een mooi vak. Moet je nou kijken hoe we hier zitten. Wat wil een mens nog meer?' De vrijheid is de baggeraar een groot goed. In vergelijking met de geüniformeerde koopvaardij is de stemming op een baggerschip met zijn nauwelijks zichtbare rangorde licht anarchistisch. De hoppers en cutters op verre wereldzeeën zijn varende koninkrijkjes. Het moederbedrijf in Nederland is zo ver weg, dat iedereen zich een beetje de baas waant. Wie nooit een torn, een werkperiode, op een baggerschip heeft gedraaid, kan maar het beste zijn mond houden. Dat geldt voor de 'managers' van het hoofdkantoor, voor de medewerkers van het eigen bedrijf aan wal in Dubai, Qatar of Australië, voor de conservator van het Baggermuseum ook al zit hij ik weet niet hoe lang al in de materie. Alleen een échte baggeraar weet iets van baggeren. Ton van Oosten voldoet met zijn Zware Van Nelle-shag en de gestileerde Maria op zijn linkerschouderblad aan het romantische beeld van de zeeman. Toch is de kapitein van The Queen of The Netherlands steeds meer een manager geworden. In zijn kajuit staan ordners met veiligheidsprotocollen rijen dik langs de wanden. Een groot deel van de dag gaat heen achter de computer. Als jongen van zestien begonnen in de sleepvaart, zag de IJmuidenaar veel veranderen. De technologie deed zijn intrede en de buitenlanders kwamen aan boord. 'Nooit moeite mee gehad', zegt Van Oosten, 'als je mensen vertrouwen geeft, doen ze alles voor je. Welke nationaliteit ook. Ik heb liever een gemengd gezelschap. Zet twintig Nederlandse baggeraars bij elkaar en dat gaat kletsen als een stel oude tantes. Die maken elkaar helemaal de kop gek.' Toch zullen de Nederlanders nooit van boord verdwijnen, meent de kapitein. 'Een Hollander heeft een band met het schip', Hij leunt achteruit op de bolder op het achterdek en wijst op 'zijn' sleephopperzuiger die glanst in de zon en per keer 25 miljoen liter zand verstouwen kan: 'Moet je kijken hoe knap dit bootje eruitziet. Daar legt een Nederlander eer in. Dat maakt hem een betere baggeraar.'
|
|||||||
| home • fnv waterbouw • cao • nieuws • lidmaatschap • belangenbehartiging • scholing & opleidingen • contact • links • disclaimer | © 2008 | ||||||||